Abstract
Vanuit comparatief perspectief in de Germaanse talen schijnt er een recurrent patroon te vinden zijn bij clusters van /rs/ (zoals bvb. in het woord “clusters” zelf), waarbij de /s/ naar een postalveolaire /ʃ/ of geretroflecteerde postalveolaire /ʂ/ verschoven wordt. Dit is bijvoorbeeld het geval in Scandinavië en Schotland, waar /rs/ binnen woorden maar ook over de woordgrenzen heen (bvb. Schots Engels “for Scotland”) in het retroflexe /ʂ/ resulteert. In Westgermaanse talen en dialecten blijkt er een gelijkaardig patroon te zijn, die in dat geval in /rʃ/ resulteert (vgl. bvb. Duits “Herrscher”, Nederlands “heerser”). In het Standaardduits werkt deze regel daarentegen niet over de woordgrenzen heen, waardoor aangenomen kan worden dat ze niet meer productief is. Er wordt daarvoor gepleit dat dit aan het voorkomen van het uvulaire /r/ (ook huig-r genoemd) te wijten is, en dat de klankwet /rs/ -> /rʃ/ of /ʂ/ slechts kan optreden wanneer /r/ als een alveolare trilklank of tap/flap gerealiseerd wordt. Ook al wordt er in de taalkundige gemeenschap het tegendeel beweerd, met steun van dialecten waar zowel huig-r als postalveolaire realisaties van /rs/ te vinden zijn, wordt er aan de hand van een fonetische studie in Vlaamse omgangstalen aangetoond dat dit geen tegenbewijs is voor het feit dat uvulaire /r/ en /rʃ/ resp. /ʂ/ elkaar uitsluiten. Verder wordt besproken welke conclusies men kan trekken tov. de uitspraak van /r/ en /s/ in andere talen en taalstadia, steunend op de synchrone resultaten van het onderzoek en de vaststellingen van breedschalige taalvergelijking.